1. Het bosbeheer moet de nationale wetten, internationale verdragen en de principes en criteria van FSC respecteren.
2. De eigendoms- en gebruiksrechten m.b.t. het bos moeten duidelijk gekend en wettelijk gedocumenteerd zijn.
3. De wettelijke en gebruiksrechten van inheemse volkeren op hun land en grondstoffen moeten worden gerespecteerd.
4. Het bosbeheer moet het sociale en economische welzijn van bosarbeiders en lokale gemeenschappen op lange termijn verzekeren.
5. Het bosbeheer moet een efficiënt gebruik stimuleren van de bosproducten en –diensten om de ecologische en economische productiviteit te waarborgen.
6. De ecologische functies en biodiversiteit van het bos worden beschermd.
7. Er wordt een bosbeheerplan met duidelijk omschreven doelstellingen en middelen opgesteld.
8. Er vinden regelmatig evaluaties van het bosbeheer plaats.
9. Bossen met een hoge beschermingswaarde moeten behouden worden (bv. bossen met een bijzondere natuurlijke rijkdom of van groot cultureel of religieus belang). Bij het beheer ervan moet men steeds uitgaan van het voorzorgsprincipe.
10. Plantages moeten een aanvulling vormen op natuurlijke bossen, maar mogen deze niet vervangen. Zij moeten de druk op natuurlijke bossen verminderen en hun herstel en bescherming bevorderen. De principes 1 tot 9 gelden ook voor plantages.